Home > Overzeese Rijksdelen > Nederlands-Indië bestuurt > Inlands Bestuur M1870

Ambtskostuum Inlands Bestuur Nederlands-Indië 1870

Bepalingen kostuum inlandse hoofden en ambtenaren
Nota bij bepalingen kostuum inlandse hoofden en ambtenaren

Bepalingen kostuum inlandse hoofden en ambtenaren

Besluit

No. 9 Buitenzorg, 2 April 1870

Gelet, enz.

De Raad van Nederlandsch-Indië gehoord;

Is goedgevonden en verstaan:

Eerstelijk: Enz.

Ten derde: Te arresteren:

A. De ondervolgende bepalingen voor kostumes van inlandsche hoofden en ambtenaren in de Gouvernementslanden van Java en Madura, met uitzondering van de Preanger-Regentschappen:

Bepalingen voor kostumes van inlandsche hoofden en ambtenaren in de Gouvernementslanden van Java en Madura, met uitzondering van de Preanger-Regentschappen.

1.

Aan inlandsche hoofden en ambtenaren met den rang van Regent tot en met dien van schrijver is het toegestaan bij officiële gelegenheden gebruik te maken van het kostuum hier vastgesteld, bestaande uit:

Schoolplaat 16. Javanen. Regent met hoofden (Oost-Java)
Regent met zijn hoofden (Oost-Java). Omstreeks 1900. Midden voor de regent met de titel van Adipati. Links van de regent de Patih en rechts naast de man in militair uniform de hoofddjaksa.

A. de Koeloek met Njamat, hoed met knop, zijnde de doorschijnende (mathak), die alleen gedragen wordt door de regenten en daar beneden tot en met de wedono's; door de regenten met den titel van Pangaran of Adipati in het licht-blaauw; door de regenten met den titel van Toemenggoeng en door minderen in het wit;

en de zwarte (bertji), die gedragen wordt door de hoofden en ambtenaren beneden den rang van wedono.

B. de Sikeppan-gedee, staatsie-buis, van donkerblaauw (konings-blaauw) laken, voorzien van borduursel en met negen knoopen met de gekroonde letter W; de voering van geel satijn voor de regenten en minderen tot en met den rang van wedono; van roode zijde of andere stof voor hoofden en ambtenaren beneden den rang van wedono.

Het borduursel van de Sikeppan bestaat uit:

  1. voor een regent met den titel van Pangeran: een gouden zoom langs het boordsel van den kraag, het geheele buis en de uiteinden der mouwen, ter breedte van een Nederlandsche duim, gouden oranje en eikentakken ter breedte van 3˝ Nederlandsche duim om den kraag, om de uiteinden der mouwen en langs den geheelen rand van het buis, en loopende over de borst tusschen of slingerende om de knoopen en knoopsgaten, en van daar over de schouders onder den geheelen kraag door.
  2. voor een regent met den titel van Adipati, begiftigd met den geelen paijong:
    hetzelfde als voor een regent met den titel van Pangeran is vastgesteld bij 1, met dat onderscheid, dat het borduursel op den rug onder den kraag niet geheel doorloopt, maar eene opening laat van 8 Nederlandsche duim.
  3. voor een Regent met den titel van Adipati, niet begiftigd met de geelen paijong:
    hetzelfde als voor een Regent met den titel van Pangeran is vastgesteld bij 1, met dat onderscheid, dat het borduursel langs den rand niet doorloopt over de schouders en onder den kraag door, maar eindigd dáár, wáár het met het borduursel van den kraag te zamen komt.
  4. voor een regent met den titel van Toemenggoeng: hetzelfde als voor een regent met den titel van Adipati is vastgesteld bij 3, met dat onderscheid , dat alleen de kraag en de mouwen zullen zijn voorzien van een gouden zoom ter breedte van één Nederlandsche duim, en dat overigens langs het boordsel van het buis loopt een gouden koord, en dat voorts het borduursel om den rand van den buis alleen op de borst en doorloopende tot aan den onderrand eene breedte van 3˝ Nederlandsche duim heeft, doch dat de onderrand van het buis slechts 2˝ Nederlandsche duim breed is.
  5. voor een Patih: een zoom langs het boordsel van den kraag en de uiteinden der mouwen, ter breedte van één Nederlandsche duim, en overigens langs het boordsel van het geheele buis een koord, oranje- en eikentakken ter breedte van 3˝ Nederlandsche duim aan de uiteinden van den kraag geborduurd zijn, en om de uiteinden der mouwen, oranje- en eikentakken ter breedte van 2˝ Nederlandsche duim, loopende over de borst tusschen of slingerende om de knoopen en knoopsgaten en langs den rand van het ondergedeelte van het buis;
    alles van goud en zilver dooreengevlochten.
  6. voor een Hoofddjaksa: hetzelfde als voor een Patih is vastgesteld bij 5, doch zonder het borduursel beneden de knoopen en verder langs den rand van het ondergedeelte van het buis.
  7. voor een onder-kollecteur der landelijke inkomsten: hetzelfde als voor een hoofddjaksa is vastgesteld bij 6, met dat onderscheid, dat het borduursel op den kraag en op de mouwen, instede van 3˝, slechts 2˝ Nederlandsche duim breed is.
  8. voor een Wedono, districtshoofd; hetzelfde als voor een hoofddjaksa is vastgesteld bij 6, doch geheel van zilver.
  9. voor een Djaksa: een zoom langs het boordsel van den kraag en de uiteinden der mouwen, ter breedte van één Nederlandsche duim, en overigens langs het boordsel van het geheele buis een koord.
    Oranje en eikentakken ter breedte van 2 Nederlandsche duim aan de uiteinden van den kraag, zoodanig dat 2/3 gedeelten van den kraag geborduurd zijn, en om de uiteinden der mouwen. Een koord, loopende van den kraag langs en aan de binnenzijde van de knoopen en knoopsgaten, en eindigende bij de laatsten derzelve, de knoopsgaten met gouddraad geboord:
    alles van goud en zilver dooreengevlochten.
  10. voor een Adjunct-hoofddjaksa en Adjunct-djaksa: hertzelfde als voor een djaksa is vastgesteld bij 9, doch zonder borduursel op de mouwen.
  11. voor de Onder-districtshoofden, Kliwons, Districts- en Regentschaps-mantri's: hetzelfde als voor een adjunct-hoofddjaksa bij 10 is vastgesteld, doch geheel van zilver.
  12. voor de overige Mantri's, zooals die der kultures, der waterleidingen en der bosschen, de koffij-inkoop en zoutverkoop-pakhuismeesters, de vaccinateurs enz. zoomede voor de doctors-djawa en den eersten schrijver op het residentiekantoor: een zoom langs het boordsel van den kraag en de uiteinden der mouwen ter breedte van één Nederlandsche duim, en overigens langs het boordsel van het geheele buis een koord.
    Oranje- en eikentakken ter breedte van 2 Nederlandsche duim aan de uiteinden van den kraag, zoodanig, dat 2/4 gedeelten van den kraag geborduurd zijn; een koord loopende van den kraag langs en aan de binnenzijde van de knoopen en knoopsgaten en eindigende bij de laatsten van dezen, de knoopsgaten met gouddraad geboord; alles van goud en zilver doorgevlochten.
  13. voor den eersten schrijver op het assistent-residentiekantoor en den schrijver bij de regenten: hetzelfde als voor mantri's bij 12 is vastgesteld, doch zonder borduursel op den kraag.
  14. voor de overige van 's landswege bezoldigde schrijvers: hetzelfde als voor de andere schrijvers bij 13 is vastgesteld, doch instede van het boordsel een koord langs de uiteinden der mouwen.
    De knoopen volgen het borduursel, zoodat bij geheel gouden borduursel behooren geheel gouden knoopen; bij goud en zilver borduursel, zilveren knoopen met gouden gekroonde W, en bij geheel zilveren borduursel, geheel zilveren knoopen.

C. De rompi, vest, van wit kasimir, satijn of katoen, met negen kleine knoopen met de gekroonde letter W van dezelfde kleur als de knoopen aan den sikeppan.

D. De dodot, gebatikt katoenen hofkleed, met de hoekoep (buikband), voorzien van boro (kwasten).

De soort van de dodot is:

voor een regent met den titel van Pangeran of Adipati: parang roeksak-klithik en blęnggčn;

voor een regent met den titel van Toemenggoeng: oedan-liris, en blęnggčn;

voor al de anderen daar beneden, naar verkiezing, met uitzondering van de voor regenten bepaalde patronen, mits met een zwarten grond (latar-iręng) en goebčg.

De hoekoep bestaat uit:

voor de regenten: goud passement ter breedte van 5 Nederlandsche duim met boro van bouillons.

voor al de andere hoofden: van paarsch-rood lint ter zelfder breedte met gouden boro van torsades.

De dodot is niet verpligtende voor de mantri's en ambtenaren bedoeld bij B. 12, 13 en 14.

E. de Tjelono, lange broek, zijnde:

voor een regent met den titel van Pangeran of Adipati: van Tjindé-goebčg met gouden passement of borduursel om den onderrand der pijpen, ter breedte van het borduursel op den kraag;

voor een regent met den titel van Toemenggoeng: van Tjindé-sorrot, en verder als boven; voor al de ambtenaren daar beneden: van zwart laken, satijn of zijde, met passement om den onderrand der pijpen, ter breedte en van de kleur als het borduursel op den kraag.

F. de Tjęnélo's, muilen, (turksch of moorsch model) van zwart verlakt leder, die alleen gedragen worden door de regenten.

G. de wedoong, kapmes.

De weddong wordt alleen gedragen in de tegenwoordigheid van den gouverneur-generaal, of van een lid van den raad van Nederlandsch-Indie; als gouvernementskommissaris, door regenten en daar beneden tot en met de wedono's.

H. de kris, gedragen op de wijze Sengkelit genaamd, de Wrongko van het model Ladrau, de buitenscheede van het model bléwah.

Voor de regenten: van Soewoso en voor minderen: van goud, verguld of koper.

2.

De zonen van de regenten dragen het bij 1 bepaalde kostuum; het buis met vergulden knoopen zonder W, met geele voering en zonder eenig ander borduursel dan een gouden koord om den geheelen rand met inbegrip van kraag en mouwen, voorts een gouden koord, loopende van den kraag langs en aan de binnenzijde van de knoopen en knoopsgaten en eindigende bij de laatsten van dezen; de knoopsgaten met gouddraad geboord, terwijl bovendien de uiteinden van den kraag voorzien zijn , voor:

zoons van een Pangeran: van twee gouden geborduurde sterren van 2 Nederlandsche duim middellijn;

zoons van een Adipati met den geelen paijong: van een gouden en een zilveren ster als boven;

zoons van een Adipati: van twee zilveren sterren als boven;

zoons van een Toemenggoeng: van één zilveren ster als boven.

Overigens dragen zij de kleeding vaneen districts-mantri, met dat onderscheid, dat, wat deze van zilver hebben, geheel van goud is.

3.

Voor mindere hoofden dan de schrijvers wordt het thans reeds bestaande kostuum naar plaatselijk gebruik behouden, dan wel de bepaling daarvan, in overleg met de regenten, aan de hoofden van gewestelijk bestuur overgelaten.

4.

Wanneer bij officiële gelegenheden de betrokken inlandsche ambtenaren zich per rijtuig buiten de hoofdplaats moeten begeven, kan de Koeloek-mathak vervangen worden door den Koeloek-kanigoro; terwijl, wanneer zulks geschiedt te paard, het kostuum kan gedragen worden, bekend onder den naam van Pradjoeritan, echter met inachtneming van het volgende voorschrift deswege:

Het kostuum Pradjoeritan bestaat uit:

a. de Koeloek-kanigoro met of zonder njamat, naar plaatselijk gebruik, die alleen gedragen worden door de regenten en daar beneden tot en met de wedono's, districts-hoofden.

De minderen dragen den voor hen bij A. voorgeschreven zwarte koeloek.

Instede van den koeloek kan ook, naar gelang van omstandigheden of plaatselijk gebruik, gedragen worden de hoofddoek, overeenkomstig het patroon van de bédéd, dat sawit heet, en daarbij de toedoeng of Javaansche pet van donkerblaauw laken en van voren voorzien van een geborduurde letter W van goud, goud en zilver of zilver, volgens het bij 1, R, voorgeschreven borduursel van den Siképpan.

b. de Siképpan-tjilik, kort buis zonder slippen, van donkerblaauw laken met voering en knoopen als bij art. 1, B bepaald, zonder eenig onderscheid of ander borduursel, voor zoo veel betreft de ambtenaren beneden den rang van regent, welke laatste op dezen Siképpan kan dragen het bij 1, B voorgeschreven borduursel.

c. de rompi als bedoelt bij 1, C.

d. de bébéd, gewoon gebatikt katoenen kleed van hetzelfde patroon, als voorgeschreven voor de dodot.

e. de Tjelono, donkerblaauw lakensche broek met passement langs de pijpen.

De kleur van het passement volgt het bij 1, B voorgeschreven borduursel en is breed:

voor een regent: 5 Nederlandsche duim;

voor een patih tot en met een districtshoofd: 3 Nederlandsche duim;

voor de ambtenaren daar beneden: 2 Nederlandsche duim; voor deze laatsten echter is het passement niet verpligtend.

Bij deze Tjelono kunnen gedragen worden hooge schoenen.

f. de sabook, breede buikband met boro (kwasten) en de daarbij behoorende Epék (ceintuur), aan welke laatste:

de timang en lčrčp (gesp en schuifpassant);

de bangkol (teugelhaak);

de tali bandang (een streng gevlochten koord);

de anggaran (krisdrager).

De Sabook is:

voor regenten: van Tjindé-kembang met gouden boro van bouillons;

voor minderen tot en met den wedono (districtshoofd):

van paarsch roode zijde of satijn, met gouden boro van torsades;

voor allen daarbeneden: van blaauwe zijde of satijn, met zilveren boro van torsades.

De Epék is:

voor regenten: van goud passement dan wel goud geborduurd:

voor minderen tot en met de wedono's: van goud passement:

voor allen daarbeneden: van zilver passement of zwart laken met gouden koord om den rand.

De bangkol, waaromtrent niets wordt voorgeschreven, is niet verpligtend voor allen beneden den rang van wedono, evenmin als de tali-bandang, die is:

voor een regent: van gouden koord;

voor minderen tot en met de wedono's: van zilveren koord;

en voor allen daarbeneden: van zwart koord.

De anggaran is van zwart laken of verlakt leder, naar verkiezing, voorzien van gouden of zilveren plaat, dan wel borduursel.

g. Twee krissen, de eene van het model en gedragen op de wijze, als bepaald bij art. 1, H, de andere op de wijze genaamd Tjrigan (in den hanger aan den Epčk) met wrongko van het model Gajamman, en overigens geheel als de eerstbedoelde kris.

Instede van de laatstgemelde kris, kan een hartsvanger dan wel een kromme sabel gedragen worden.

5.

Eervol ontslagen inlandsche hoofden en ambtenaren, mits 20 jaren gediend hebbende, mogen het kostuum blijven dragen, voor de laatste door hen bekleede betrekking vastgesteld.

B. De bij de onder A bedoelde bepalingen behoorende nota, luidende als volgt:

Nota behoorende bij de bepalingen voor kostumes van inlandsche hoofden en ambtenaren in gouvernementslanden van Java en Madura, met uitzondering van de Preanger-Regentschappen.

Ad 1 A. Koeloek.

De Koelok-mathak en de Koelok bertji zijn beiden van gesteven katoen; het onderschied is alleen, dat de mathak blaauw of wit doorschijnend, en de andere zwart glimmend is.

Waar het gebruikelijk is onderscheid te maken in het aantal tharak's (de opstaande naden van het boven gedeelte van den koeloek), blijft dit toegepast.

Bij den Koeloek wordt het haar gedragen oré of oedar, d.i. loshangende en met een zwart koord aan het hoofd zamen gebonden, in het tegenwoordigheid van den gouverneur-generaal of van een lid van den raad van Nederlandsche-Indië, als gouvernements kommissaris; - bij andere gelegenheden wordt het haar gedragen geloengan (soort van kondé) dan wel volgens plaatstelijk gebruik.

Ad 1 B. Sikeppan.

De Sikeppan-gedee is het lange javaansche buis, waarvan het onderscheidend kenmerk is het van voren voorzien van slippen, Embčl genaamd.

Deze sikeppan kan gedragen worden open en geheel of gedeeltelijk gesloten, hetgeen kan geschieden door middel van haken en oogen.

Geborduurde zoom van den Sikeppan is de getande zogenaamde Oentoe-walang, zooals de gewone zoom aan het kostuum der Europesche ambtenaren, zich door meerdere breedte onderscheidende van het koord (tampar), dat zeer dun is.

Takwo en Sikeppan arab.

De Takwo is wegens den eigenaardigen snid niet van het voorgeschreven borduursel op de borst voorzien.

De sikeppan arab zonder kraag gedragen wordende, kan desalniettemin overigens geborduurd zijn volgens voorschrift.

Ad 1 C. Rompi.

Ook wel Rangkčppan en baskat genaamd, waarmede hier bedoeld wordt een vest met ééne rei knoopen in het midden sluitende en overeenkomende met het vest bij kostuums, voor Europesche ambtenaren voorgeschreven.

Ad 1 D. Dodot.

Blčnggén betekent, dat het van voren nederhangend einde van het kleed uitgerafeld is, en de uitstekende draden bij gedeelten als franjes zijn zamengeknoopt.

Goebég, ook loegas genaamd, beteekent dat het bedoelde einde van het kleed niet uitgerafeld is.

Hoekoep. Daarmede wordt verstaan het zigtbare gedeelte, zijnde de twee achter neęrhangende uiteinden, waaraan de boro (kwasten), ook gombiok genaamd, bevestigd zijn.

Ad 1 E. Tjelónó is de gewone bij de dodot gebruikelijke broek met aan de enkels naauw toeloopende pijpen.

Door Tjindé goebég wordt verstaan die Tjindee, waarvan het patroon over de gehele lengte van den broek van ééne en dezelfde teekening is, terwijl de Tjindé sorot is die, welke aan den onderkant der pijpen spits naar bovenstaande punten vertoont.

De Tjindé goebég kan, zooals aan de Javaansche hoven gebruikelijk, vervangen worden door gebloemd fluweel dat alzoo alleen aan pangerans en adipati's toekomt.

Ad 1 F. Tjenčlo.

Met het aangegeven model worden bedoeld die muilen, waarvan de punten eenigszins opstaan. Geborduurde muilen worden bij het kostuum niet gedragen.

Ad 1 G. Wedoong.

Deze wordt gedragen van voren aan de linkerzijde, het metaal en het aantal der sooh's (banden om de scheede) regelen naar plaatselijk gebruik.

Ad 1 H. Kris. Door sęngkelit wordt hier verstaan het dragen van de kris, achter aan de regter-zijde in den gordel.

Dáár wáár het model ladran van de wrongko, en het model blewak (eene sleuf aan de buitenzijde) van de metalen krisscheede niet in gebruik zijn, worden die door de ter plaatse gebruikelijke vervangen.

Het wordt vrijgelaten om de pendok (scheede), zoomede de seloot en de mendak (metalen ornementen om het onderste en beneden de greep) met edelgesteenten te versieren.

Ad 4 a. Koeloek-kanigoro.

Deze is van zwart geglansd gesteven katoen, dan wel van vilt en voorzien van twee evenwijdig rondom loopende banden, waarvan de eene aan den onderrand, genaamd Mendepoen-gedé, en de andere op eenige duimen afstands daar boven Mendepoen-tjilik. Van den tweeden band uitgaande, lopen regtopstaande banden Tharak geheeten, ter bedekking der naden, naar de kruin, waar zij zich aan den knoop vereenigen en waarvan de achterste tot aan den onderrand doorloopt.

Zie omtrent het aantal Tharak's de aanteekening ad 1 A; gewoonlijk is het 8 of 10.

Hoofddoek (iket).

De wijze van deze te dragen wordt aan het plaatselijk gebruik overgelaten.

Toedoeng, ook wel Tjaping genaamd.

Deze kan zijn zoowel van het model patjoelan, als kethon, of van ieder nader ter plaatse gebruikelijk model.

Ad 4 b. Bębęd.

Deze kan gedragen worden tjing tjingngan, d.i. van achteren en van voren eenvoudig opgehaald, en wel van voren regts eenigszins hooger dan links, dan wl tekoekkan of lempittan, zijnde van achteren regelmatig opgevouwen en van voren met een lange strook neerhangende.

Ad 4 e. Tjelono.

Aan de regenten Pangeran of Adipati wordt vrij gelaten om, instede van de voorgeschreven lange broek, te dragen de zoogenaamde Tjelono pandji-pandji, zijnde de blaauw of zwart zijden dan wel fluweelen korte broek met gouden kniegespen en drie gouden knoopen aan de buitenzijde, bij welke Tjelono behooren zwarte zijden kousen en zwart verlakte schoenen met gouden gespen.

Ad 4 f. Sabook.

De beide einden, waaraan de bôrô's zijn bevestigd, hangen ter regterzijde af.

Timang met léréb te zamen ook kerlep of trélép genaamd.

Tali-bandang:

Deze wordt gedragen regts van voren.

Het wordt vrij gelaten om de timang en léréb zoomede de brangkol en de plaat van de anggaran te dragen, versierd met edelgesteenten.

Ad 4 g. Twee krissen.

Ook op deze krissen is van toepassing wat boven sub 1, H, omtrent het versieren met edelgesteenten gezegd is.

Ten vierde: Te bepalen, dat het aan de inlandsche hoofden en ambtenaren verboden is om hunne kleeding anderzins dan volgens de bij art. 3 A bedoelde bepalingen met borduursels of galons te versieren, - om bij het niet gebruik maken van het bij die bepalingen vastgesteld kostuum, andere kleeding en hoofddeksels te bezigen dan de thans in zwang zijnde, en ook om bij ceremoniële gelegenheden gebruik te maken van batikwerken, hoofdtooisels en schoeisel, bij de bepalingen omtrent de kostumen voorgeschreven voor hogere rangen dan die, welke door hen worden bekleed.

Ten vijfde: Enz.

Afschrift, enz.

Bron

Bijblad Staatsblad van Nederlandsch-Indië, no. 2308.