Home > Overzeese Rijksdelen > Nederlands-IndiŽ bestuurt

Nederlands-Indië bestuurt: kort historisch overzicht Europees decorum onder de tropen zon

Onderwerpen op deze pagina

Koloniaal dilemma
Cultuurstelsel
Modernisering
Decentralisatie en ontvoogding
Conservatieve reactie
Centraal bestuur
Binnenlands Bestuur
Ambtskostuum Binnenlands Bestuur

Koloniaal dilemma

Nederland zag zich als koloniale mogendheid in de Indonesische archipel voor de vraag gesteld hoe het gebied te besturen. De afstand tussen het moederland en de overzeese gebiedsdelen was gigantisch en de middelen waren relatief beperkt. Naast acceptatie, passieve medewerking, was een actieve medewerking van de inheemse bevolking onontbeerlijk. Deze actieve medewerking mocht evenwel niet ten kosten gaan van de macht en invloed van Nederland.

Cultuurstelsel

Nederland bestuurde Nederlands-Indië centraal vanuit Batavia, het huidige Djakarta, met een in omvang beperkt Europese ambtenarenkorps. De inheemse bevolking bleef zoveel mogelijk onder de onmiddellijke leiding van de eigen hoofden staan. Een groot deel van Nederlands-Indië was zelfbesturend: zelfbesturende landschappen onder Inlandse vorsten die een politieke overeenkomst met het Nederlands-Indisch gouvernement hadden gesloten. Daarnaast was er rechtstreeks bestuurd gebied. In beide gebieden ontstond een dualistische bureaucratie met enerzijds een 'modern' Europees deel en anderzijds een 'quasi feodaal' inheems deel. Deze bestuurlijke indeling ging op Java en Madoera in 1829 gepaard met de invoering van het op exploitatie gerichte cultuurstelsel. De bevolking moest op een deel van de rijstvelden exportgewassen verbouwen voor het gouvernement.

Modernisering

In de jaren zestig van de negentiende eeuw werd het cultuurstelsel geleidelijk losgelaten. Het gouvernement trok zich terug als ondernemer en opende het eilandenrijk voor het particuliere initiatief. Daarnaast sloeg Nederland een op territoriale expansie gerichte koers in en bracht eind negentiende, begin twintigste eeuw de Indonesische archipel geheel onder Nederlands gezag. Nederland koos voor de ontwikkeling van de inheemse bevolking. Het bestuur intensiveerde en drong steeds verder in de inheemse samenleving door. Dit moderniseringsproces leidde tot de nodige frictie. Er ontstond een Europese bevolkingsgroep die in de industrie, handel en nijverheid werkte. Deze zogenaamde 'particulieren' vroegen om inspraak in het bestuur. Bij de inheemse bevolking groeide eveneens de roep om medezeggenschap: een nationalistische beweging kwam op. Deze beweging zette zich ondermeer af tegen de eigen traditionele hoofden.

Decentralisatie en ontvoogding

Mede als reactie op de roep om medezeggenschap werden vanaf 1905 gemeenteraden ingesteld, weliswaar met beperkte bevoegdheden en vooralsnog onder voorzitterschap van het Europese binnenlands bestuur. Met de benoeming van burgemeesters in 1916 kregen de grote steden een geheel eigen bestuur. Burgemeesters maakten geen deel uit van het Europese binnenlands bestuur. Landelijk werd in 1918 als vertegenwoordigend lichaam de Volksraad ingesteld. De diverse bevolkingsgroepen waren in deze raad vertegenwoordigd. De bestuurlijke hervorming resulteerde vanaf 1925 in de vorming van een nieuwe bestuurslaag: de provincie op Java en Madoera en het gouvernement in de buitengewesten (de eilanden buiten Java en Madoera). Daarnaast werd op de hoofdeilanden Java en Madoera het Inlandse binnenlands bestuur meer zelfstandig door een overdracht van taken; de zogenaamde ontvoogding.

Conservatieve reactie

De bestuurlijke ontwikkelingen in Nederlands-Indië stagneerde in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw door een conservatieve reactie. De macht van de Europese bestuursambtenaren moest gehandhaafd blijven en de nationalistische beweging werd bestreden. De Japanse verovering van Nederlands-Indië in 1942 maakte aan dit koloniale rijk een abrupt einde.

Centraal bestuur

In naam van de Koning (in concreto de minister van koloniën) voerde een gouverneur-generaal het algemene bestuur. Hij werd daarin bijgestaan door:

De Raad van Nederlands-Indië had adviserende en medebesturende bevoegdheden. De Algemene Secretarie ondersteunde de gouverneur-generaal op ambtelijk gebied. Het administratieve beheer was opgedragen aan enige departementen van algemeen bestuur. Voorbeelden hiervan zijn het departement van justitie en het departement van economische zaken. Het binnenlands bestuur vormde het ambtenarenkorps dat zorgde voor de uitvoering van de bevelen van de gouverneur-generaal in geheel Nederlands-Indië.

Binnenlands Bestuur

Het binnenlands bestuur in ruime zin bestond uit:

Inlandse bestuur

De inheemse bevolking stond onder het Inlandse bestuur. Dit bestuur werd gerecruteerd uit de inheemse elite, traditionele feodale hoofden, en voerde haar taak onder toezicht van het Europese binnenlands bestuur uit. Het Inlandse bestuur was op de hoofdeilanden, Java en Madoera, georganiseerd in regentschappen onder een regent.

Europese bestuur

Onder het binnenlands bestuur in enge zin, het BB, werd het Europese bestuur verstaan. Ten tijde van het cultuurstelsel waren de Europese bestuursambtenaren vooral belast met het toezicht op de produktie van exportgewassen. Daarnaast controleerden zij met de nodige voorzichtigheid de regenten. Java was daartoe verdeeld in gewesten met een resident aan het hoofd. Deze resident was belast met:

De resident werd bijgestaan door assistent-residenten, opzieners (vanaf 1827 Controleurs der Landelijke Inkomsten en Cultures) en surnumeraire ambtenaren bij de Landelijke Inkomsten en Cultures. In de Preanger Regentschappen, een gebied in West-Java, werkten een Inspecteur der Koffiecultuur en assistenten voor de koffiecultuur.

Sterkte BB op Java en Madoera (excl. Vorstenlanden) in 1825
Resident 18
Gewestelijke secretaris 16
Assistent-resident 18
Opziener der 1e klasse 5
Opziener der 2e klasse 12
Opziener der 3e klasse 16
Opziener der 4e klasse 1
Inspecteur der Koffiecultuur 1
Assistent der 1e klasse 1
Assistent der 2e klasse 2
Assistent der 3e klasse 1
Totaal 91

De bestuurshervorming van 1866 stond in het teken van de bescherming van de inheemse bevolking tegen willekeur van niet alleen de eigen hoofden, maar ook van de Europeanen. Hiertoe werd het Europese binnenlands bestuur gemoderniseerd. Het salaris van Europese bestuursambtenaren werd losgekoppeld van de opbrengst van de cultures en de herendiensten werden beperkt. De administratieve macht werd gescheiden van de rechterlijke macht. Op Java kwam naast iedere regent een assistent-resident, die aan het hoofd stond van een afdeling. In de afdelingen traden de controleurs op als de vertegenwoordigers van de resident en assistent-resident. Zij waren de 'pioniers van vooruitgang en beschaving', maar zonder eigen bevoegdheden. De benaming 'Controleurs der Landelijke Inkomsten en Cultures' sloot niet meer aan op de werkzaamheden en werd gewijzigd in 'Controleur bij het binnenlands bestuur'. In 1874 verscheen ook de titel 'aspirant-controleur'.

Sterkte BB in de buitengewesten in 1912
Gouverneur 2
Militair gouverneur 1
Resident 14
Gewestelijke secretaris 19
Assistent-resident 54
Controleur 140
Aspirant-controleur 8
Totaal BB'ers 238
Civiele gezaghebber 67
Aspirant-civiele gezaghebber 10
Officier civiele gezaghebber 59
Posthouder 22
Totaal 396

De bestuurshervorming van 1922 introduceerde op Java en Madoera een nieuwe bestuurslaag: de provincie onder een gouverneur.

Actieve sterkte BB op Java en Madoera (incl. Vorstenlanden) in 1932
Gouverneur 5
Resident 26
Assistent-resident 70
Controleur 63
Aspirant-controleur 50
Totaal 214

Ambtskostuum Binnenlands Bestuur

Als onderdeel van de groeiende bureaucratie werd in 1827 een ambtskostuum voor residenten en assistent-residenten voorgeschreven. Het ambtskostuum bestond uit een donkerblauwe rok gevoerd met zijde van dezelfde kleur en een steek. Het ambtskostuum was voor de dracht in de tropen niet geschikt. Jeugdige ambtenaren trokken het officiële kostuum bij de dagelijkse werkzamheden en op binnenlandse reizen bijvoorkeur niet aan. De invoering in 1872 van een 'klein kostuum' speciaal voor de dagelijkse werkzaamheden bracht daarin geen verandering. Een BB-ambtenaar noemde in 1902 het ambtskostuum een 'uit den pruikentijd daterende en voor het Indische klimaat zoo weinig passenden zwarten jas'.

De open donkerblauwe rok van laken met wit vest en donkerblauwe of witte pantalon werden in 1919 vervangen door een gesloten donkerblauwe rok van laken met dito pantalon. Van 1904 tot 1929 werd voor de dagelijkse werkzaamheden een witte katoenen attila met pet gedragen. In 1929 werd de attila vervangen door een witte open of gesloten katoenen jas. Op de zogenaamde BB-pet werd een embleem gedragen bestaande uit het Rijkswapen met aan weerskanten een eikentak.

Bronnen